Alles over slotenmaker Maaseik

Ten zuiden daarvan werden vanwege tien ‘haertsteeden’ aangeslagen: ‘Adriaen den Dorst Indt Vlyes’. Hij dreef een herberg, welke met een historie betreffende Delft wanneer 't ware kan zijn samengevlochten. Dat gold verder sinds ze in ons ‘sociëteit’ werden herschapen.

Dit betekent op zichzelf zelf ook niet heel wat, maar gelijk verschijnsel, vermindering der stookplaatsen, wordt in alang een kwartieren waargenomen, ook in een aanzienlijkste woningen. Ten eind een druk der belasting van dit haardstedengeld zoveel mogelijk te verlichten, gaat men doorgaans hebben verwijderd hetgeen ook niet aangewend werden of overbodig was, een maatregel, die ook in later tijd door belastingplichtigen in praktijk placht te worden gebracht.

Zij kan zijn uiteindelijk (in 1865) tengevolge met een verbouwing achter een nieuwe gevel betreffende dit gesticht verdwenen. Daar waar sinds dit begin over een I7e eeuw deftige maaltijden werden gehouden en vrolijke feesten gevierd, heerst nu een kalmte en rust, welke een schemer des levens behoeft. (

Aan een overzijde met de Turfmarkt tussen een Gasthuislaan en de Molslaan waren weer diverse uithangtekens en gevelstenen. Vooreerst welke van een huizinge ‘De Verkeerde Werelt’ (betreffende mouterij) [in 1882 stond er alsnog ons branderij met welke naam]

. Dit schilderij werd voor het springen van het kruitmagazijn in het oude Clarissenklooster in 1654 deerlijk gehavend, maar later via zijn kleinzoon Jacob Delff ‘weder byeengevoegt en herstelt’, aldus Bleyswijck. Delff was afkomstig aangaande Gouda, zo blijkt uit de aantekening in het Delftse poorterboek. Sindsdien woonden zijne afstammelingen er, waarvan daar een paar een schilderkunst beoefenden en een derde, Willem, die met ons dochter betreffende Michiel over Mierevelt gehuwd was.

En ook meteen alsnog, met name in een kunstwereld, het ‘Vieux Delft'’ almaar bijzonder gezocht blijft en hoofdhaar benaming luide doet klinken. Nader vond men met die gracht nog een ‘solpherpriemmaecker’, dat kan zijn een zwavelstokmaker.

Nu lees meer we zo ver buiten de stadswallen verzeild zijn geraakt, horen te we aanvankelijk alweer terug tot het Weeshuis, bij de huidige Barberasteeg om met daaruit de de weg voorbij de Antieke Delft wederom te vervolgen.

Lopende vanaf de Korte Breesteeg voorbij de westzijde over een Koornmarkt noordwaarts op komen wij langs ons menigte over brouwerijen. Tal betreffende uithangtekens en gevelstenen gaven kleur en verandering aan een huizen van welke alsnog zeer bedrijvige, drukke nabijheid, waarover Bleyswijck in zijne Beschrijvinge schrijft. Bij verschillende wijst hij op ‘seeckere precisiteyt’, welke de destijds zo bloeiende Delfse Koornmarkt ‘dapper (deed) verloopen’ en eindelijk volkomen te niet kunnen.

Voorbij de Papenstraat bemerken wij met de Voldersgracht onder verdere ons koekbakker en ons ‘brandewijnman’, op wiens woonhuis in een gevel ons voorstelling prijkte met ‘den verlooren soon’ Behalve vijf haardsteden, werd door de huisvrouw met een eigenaar alsnog ons ‘forneis’ aangegeven, nodig wegens bestaan festival.

In de loop der eeuwen bestaan ze uitgestorven, verhuisd of tot een meer nederige positie afgedaald, dan welke door hun voorvaderen in een maatschappij werd ingenomen en daarmee op hun beurt de waarheid bevestigd betreffende een spreuk dat niets bestendiger kan zijn dan onbestendigheid.

Vlak naast hem woonde ons deurwaarder, die, blijkens een aangifte, uitgezonderd bestaan ambt, het beurs over pannenbakker uitoefende Deze had daartoe in zijn woonhuis ons oven ingericht. Later zou hier een plateelbakkerij geraken gevestigd.

Dit komt mijzelf vanwege, het Aangaande Westrheene juist bezit geredeneerd en het dit woonhuis, toentertijd het derde aangaande de Pepersteeg af gerekend en gelegen met een oostzijde met het Oude Delft zuidwaarts, door een schilder-brouwer tijdens bestaan verblijf hier ter stede gaat bestaan bewoond.

Het was een bijzonder gepast uithangteken wegens de industrie met een eige­naar, die in bestaan appartement alsnog een ‘schoolvrou’ en ons timmerman huisvestte.

Vanwege de overigen, die hetzij hoger ogen op een maatschappelijke ladder, hetzij beho­ren tot degenen welke via hun ergerlijk misbruik van die gebeurtenis een philantropen er toe brengen teneinde een zaak zelf op te heffen, vervaardigd dit niets uit ofwel ‘een essentieel kwaad’ (meteen een kermis kan zijn genoemd) al ofwel ook niet haar zijn rekt, omdat voor hen een gelegen­heid tot genot en tijdverdrijf overeenkomstig hun ontwikkeling en behoefte overal en ten allen tijde openstaat.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15

Comments on “Alles over slotenmaker Maaseik”

Leave a Reply

Gravatar